Auteur, deel 1

Blog Single

Debutantenvrees

Vlammen spelen ruw met het hout voor ze het verslinden. De takken die als een wigwam rondom twee stevige blokken staan, zijn als eerste aan de beurt. Ze protesteren met geknetter en af en toe een harde knal. Een vonk deinst terug, maar het vuur is sterk. Het grijpt het dunne hout hardhandig beet totdat de vlammen uitslaan. Een voor een zakken de twijgen kermend in elkaar. Alleen aan het bergje as dat steeds hoger wordt, is te zien dat ze ooit bestonden.
We zitten met z’n zessen voor de haard en nippen zwijgend aan onze wijn. De vlammen werpen een mysterieuze gloed op ons gezicht. Ik voel hoe het schijnsel diep in mijn brein doordringt. Het probeert de duistere gedachten die daar huizen, naar buiten te lokken. Het lukt me bijna om de juiste woorden te vinden als een zware stem me stoort.
‘Zullen we? Het is donker genoeg nu.’ De gastheer zet zijn glas op de houten vloer.
Het liefst blijf ik binnen, ik hou er niet van om in het donker buiten te lopen en zeker niet in een bos. Alleen achterblijven in dit huisje is echter geen optie. Als het stil is lijkt de vloer tot leven te komen. Het hout kreunt zacht alsof het pijn heeft. Het lijkt dan of er op kousenvoeten over de planken en de treden van de trap geslopen wordt.
Ik spring op en volg de anderen naar de hal om mijn jas aan te trekken. Als laatste draai ik de deur op slot en laat ik de sleutel in mijn jaszak glijden. Onze gastheer is op bekend terrein en heeft een behoorlijke pas ingezet. Ik loop helemaal achteraan en kan de anderen niet bijhouden doordat mijn sandalen wegglijden in de vochtige bladeren. Waarom heb ik niet net als de rest stevige schoenen aangetrokken? Ik moet alle zeilen bijzetten om bij de andere vijf in de buurt te blijven. Weer glijd ik weg. De afstand tussen ons wordt steeds groter.
‘Wacht op mij.’ Ze lijken me niet te horen. Verdorie, als ik maar niet te ver achterop raak. Plotseling staan ze stil. Hijgend bereik ook ik de open plek in het bos. De sterren en maan hebben zich verstopt achter zware, donkere wolken.
‘Ik durf het hier niet aan. We moeten verder.’ De gastheer neemt weer de leiding en baant een weg tussen struiken en bomen die nog dichter op elkaar staan. Ik heb mijn arm uitgestoken en ik voel met de toppen van mijn vingers een jas. Als ik haar maar binnen handbereik houd, gaat het goed. Mijn voorgangster laat de tak die ze opzij heeft geduwd los. Als een katapult zwiept hij gemeen tegen mijn bovenbeen. Ik blijf staan en wrijf over de pijnlijke plek. Als ik opkijk, is haar silhouet verdwenen.
‘Hé, wacht op mij!’ Er komt geen reactie.
‘Hé! Niet zo snel…’ Weer reageert niemand. Mijn adem schuurt in mijn keel en mijn hart roffelt irritant in mijn borstkas. Waar moet ik heen? In de verte hoor ik mijn naam. Gelukkig, nu weet ik in ieder geval welke kant ik op moet. Het roepen wordt steeds luider. Ik bereik de rand van het bos en dan zie ik ze in een kring staan.
Op het moment dat ik me bij hen voeg, stijgt de wensballon op. Ik voel hoe mijn handen worden gepakt en ik in de kring getrokken word. Het geeloranje licht gloeit en zoekt zijn weg in de donkere hemel.
‘Laten we wensen dat 2018 ons jaar wordt. Op naar onze debuten!’ De gastheer spreekt uit wat we allen al jaren dromen. We knijpen instemmend in elkaars handen voor we loslaten.
Op de terugweg komt de gastheer van onze schrijfweek naast me lopen. Ik geef hem een arm en hij buigt zich naar mij toe. ‘Nu weet ik waarom jij thrillers schrijft. Je bent een angsthaas,’ zegt hij zacht. Ik voel me betrapt, maar hij kan het lachje om mijn mond niet zien.