WoestHaar, deel 15

Blog Single

De voorloper

We zitten in de koffiekamer en hebben het rijk alleen, WoestHaar en ik. Alle medewerkers en specialisten zijn vertrokken en verrichten nu hun primaire taak: patiëntenzorg. Wij hebben een collegiaal momentje en zouden de week die voor ons ligt kunnen doorspreken. Dat doen we niet. We staren duf voor ons uit, verlangend naar het volgende weekend.

De operatiekamer waar de lenzen geïmplanteerd worden, ligt recht tegenover de koffiekamer. Door het glas van de deur zien we hoe de vrouwelijke oogarts al lopend haar lange lokken onder haar pet propt en de wasruimte ingaat. WoestHaar kijkt op de klok boven de deur en haalt zijn schouders op. Ik denk aan twee weken geleden toen ik haar aansprak op de late start van de dag. Ik voel me dit keer niet geroepen en kijk, wat dwingend, naar mijn collega. Er is geen enkele beweging te bespeuren. Ik zucht luid, maar ook deze dramatische hint wordt niet opgepakt. Dan komt een anesthesioloog uit de OK. Haar gezicht staat strak en haar ogen spuwen vuur. Het is een moeilijke vrouw, deze anesthesioloog, een behoorlijke potentaat eigenlijk. Onze medewerkers doen regelmatig hun beklag over haar gedrag en ook wijzelf ervaren last. WoestHaar en ik kijken elkaar even aan en glimlachen. Vandaag hoeven wij de reprimande niet te geven, er is op specialistenniveau gesproken.

Na een tijdje sta ik op voor nog een beker koffie. WoestHaar schudt zijn hoofd als ik mijn hand uitsteek om zijn glas aan te pakken en slurpt verder van zijn laatste restje thee. Als ik weer naast hem zit vraag ik of we nog belangrijke besprekingen hebben die dag.
‘Heb je hier ooit een overleg gehad dat de moeite waard was?’ Zijn lach is luid.
Plotseling valt hij stil en worden zijn ogen groot. Automatisch volg ik zijn blik. Uit de OK is een medewerkster gekomen. Op zich niets bijzonders, maar haar smalle hoofd is nauwelijks zichtbaar door de OK muts en een enorme zonnebril. Ik proest met mijn hand voor mijn mond en WoestHaar schatert het uit en slaat op zijn knie. De bril kijkt onze richting op. De lippen onder de donkere glazen vormen een smalle streep, de mondhoeken hangen iets naar beneden.
‘Het moet niet gekker worden,’ buldert WoestHaar.
Er komt een andere medewerker binnen. Hij glimlacht. ‘Lachen jullie om de bril?’
Ik knik wat beschaamd.
‘Dan hebben jullie haar gele oorbeschermers nog niet gezien.’
‘Gele wat?’ WoestHaar schreeuwt het uit.
‘Haar oorbeschermers. Geel. Je weet wel, mannen die het gemeentegras maaien hebben ze op.’
Minuten later lukt het mij om weer te praten. ‘Waarom?’ De piep in mijn stem versterkt onze slappe lach weer.
De medewerker is als eerste bij zinnen. ‘De bril omdat de overgang van de donkere OK (waar met microscoop gewerkt wordt) naar de lichte gang pijn doet aan haar ogen, en de gele oren omdat die het geluid van het ontkoppelen van de perslucht dempen.’

Nog steeds kunnen WoestHaar en ik lachen om dit voorval al weten we dat de betreffende medewerker tegenwoordig een prima ergo coach van de afdeling zou kunnen zijn met haar kwaliteiten om te signaleren wat niet goed is voor lijf en leden én met haar denken in creatieve oplossingen. Sorry medewerker, jij was toen wijzer dan wij.